Onderzoek naar lezen, leesbevordering en literatuureducatie

Voorleestijd

-> Vier op de tien Nederlanders leest weleens voor, en dit percentage schommelt in de loop der jaren.

-> Voorlezen vindt meestal plaats in de familiesfeer, aan kinderen, kleinkinderen en/of neefjes en nichtjes.

-> Zes op de tien Nederlandse ouders leest weleens voor, in het bijzonder als hun kind jong is.

-> Moeders lezen vaker voor dan vaders - van papier én scherm. De meeste kinderen geven de voorkeur aan hun moeder als voorlezer.

-> Twee derde van de Nederlandse grootouders leest weleens voor, vooral als oppasser. Er zijn meer grootmoeders die voorlezen dan grootvaders.

-> De meeste jonge kinderen maken eerst kennis met gedrukte boeken, daarna volgen de (digitale) schermmedia.

-> Het voorlezen duurt meestal tussen de 5 en 15 minuten en heeft een interactief karakter.

Voorleesgedrag Nederlanders verandert door de jaren heen

Vier op de tien Nederlanders lezen weleens voor uit een boek (papier en/of digitaal). 7% doet dit (bijna) elke dag, nog eens 8% minstens een keer per week. Het aantal voorlezers gaat op en neer ten opzichte van voorgaande jaren: in 2018 las een derde wel eens voor, in 2017 vier op de tien. In vergelijking met de periode tot en met 2016 lijkt er sprake van een daling. Deze kan ook veroorzaakt zijn doordat het onderzoek toen een andere vraagstelling kende (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2013).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse bevolking

* Vraagstelling luidt: 'Hoe vaak doet u samen met een kind de activiteit voorlezen uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2017-2018: 'Hoe vaak leest u samen met een kind en/of volwassene voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2014-2016: 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?'

De meest genoemde reden om niet voor te lezen is het ontbreken van een ander mens om aan voor te lezen. 60% van de niet-voorlezers heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen; 40% geen volwassenen. Andere, door minder mensen genoemde redenen zijn 'niet van voorlezen houden' (15%), 'er weinig tijd voor hebben' (10%) en 'niet goed kunnen voorlezen' (5%) (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Voorlezen gebeurt vooral aan kinderen

Nederlanders die voorlezen doen dit met name aan kinderen. Dit gebeurt het vaakst in de hoedanigheid van ouder, gevolgd door grootouder en/of een ander familielid. Voorlezen is hiermee een activiteit die hoofdzakelijk plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer. Het komt minder vaak voor dat volwassenen aan kinderen voorlezen op school, in de bibliotheek of in de zorg. Ditzelfde geldt voor het voorlezen aan volwassenen, zoals partners aan elkaar, een kind aan de ouders of een vriend aan een vriend of vriendin (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Ouders lezen vooral voor als kind jong is

Ruim twee op de tien ouders met thuiswonende kinderen leest hen (bijna) elke dag voor. Nog eens 15% doet dit minimaal één keer per week. Bijna vier op de tien ouders leest nooit voor. Het aantal ouders dat voorleest is in de periode 2017-2019 gedaald ten opzichte van de jaren ervoor. Tevens is de frequentie waarmee ouders voorlezen gedaald. Het zou kunnen dat het beeld in werkelijkheid stabiel is, omdat de vraagstelling in 2017 is veranderd (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37).

Voorleesgedrag

In procenten van de Nederlandse ouders

* Vraagstelling luidt: 'Hoe vaak doet u samen met een kind de activiteit voorlezen uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2017-2018: 'Hoe vaak leest u samen met een kind en/of volwassene voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?' Van 2014-2016: 'Hoe vaak leest u gemiddeld voor uit een boek (papieren dan wel e-books)?'

Ouders lezen hun kinderen vooral voor als deze jong zijn. 95% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 0 en 5 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen van 6 en 7 jaar gaat het om 89%. Er gaan minder ouders voorlezen vanaf het achtste levensjaar, ongeveer het moment dat kinderen zelf kunnen lezen. 61% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 8 en 12 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen tussen de 13 en 18 jaar gaat het om 17% (KvB Boekwerk & GfK, 2017, meting 42). Ouders vinden hun kinderen vanaf dan in toenemende mate 'te oud' voor voorlezen. 31% van de ouders van 12-jarigen, 49% van de ouders van 14-jarigen en 64% van de ouders van 17-jarigen noemt dit als reden om het voorlezen te staken (Stichting Lezen, 2015).

Voorleesgedrag, naar leeftijd kind

In procenten van de Nederlandse ouders

De tijd die 0- tot 6-jarige kinderen aan boekjes besteden om in te kijken of uit voorgelezen te worden, ligt op gemiddeld 37 minuten op een doordeweekse en 41 minuten op een weekenddag. Dit is een lichte daling ten opzichte van de 45 minuten twee jaar geleden. Het zou kunnen dat het beeld in werkelijkheid stabiel is, omdat de vraagstelling van het onderzoek in 2020 anders is dan in 2018 (Netwerk Mediawijsheid & Choice, 2020; Mediawijzer & The Choice, 2018). Het aantal ouders met 6- tot 12-jarige kinderen dat voorleest daalt. In 2014 deed 32% dit dagelijks, tegen 40% in 2012. Het aantal ouders dat nooit voorleest steeg in deze periode van 19% naar 24% (Panteia & ITS, 2014).

Moeders schenken meer aandacht aan voorlezen dan vaders

Ruim de helft (55%) van de moeders leest dagelijks voor aan hun kind. Bij vaders gaat het om 45%. Beide ouders gaan minder vaak voorlezen als hun kind ouder wordt (zie grafiek) (Stichting Lezen, 2015). De voorleessessies van moeders duren langer dan die van vaders, en ze gebruiken vaker interactieve voorleestechnieken (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014). Moeders lezen vaker voor van papier én van het scherm, hoewel het verschil met vaders bij papier groter is (Mediawijzer & The Choice, 2018).

Voorleesgedrag, op dagelijkse basis, naar sekse ouder en leeftijd kind

In procenten van de Nederlandse ouders

Er zijn ook verschillen tussen vaders en moeders in de boekgenres waaruit zij voorlezen. Terwijl vaders vaker voorlezen uit stripboeken (met name aan hun zoons), lezen moeders vaker voor uit prenten- en plaatjesboeken. Vaders en moeders lezen even vaak voor uit kinder- en jongerenboeken, informatieve boeken, tijdschriften en kranten. Er wordt door beide ouders veruit het vaakst voorgelezen uit verhalende boeken of fictie (met of zonder prenten) (Stichting Lezen, 2015). Er zijn meer vaders dan moeders die zeggen dat hun kinderen luisteren naar voorleesverhaaltjes via apps (Netwerk Mediawijsheid & Choice, 2020).

Bijna de helft (49%) van de kinderen wordt (volgens ouders zelf) het liefst voorgelezen door hun moeder. 11% vindt het leuker om door hun vader te worden voorgelezen. De overige 41% heeft geen duidelijke voorkeur (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014). Er zijn geen verschillen in de frequentie waarmee Nederlandse zoons en dochters worden voorgelezen (Stichting Lezen, 2015).

Andere vrouwelijke familieleden, zoals grootmoeders en tantes, lezen ook vaker voor dan hun mannelijke evenknieën (KvB Boekwerk & GfK, 2011, meting 16).

Twee derde Nederlandse grootouders leest weleens voor

68% van de Nederlandse grootouders met kleinkinderen tussen de 0 en 12 jaar leest hen weleens voor. Vooral als grootouders een oppasfunctie vervullen, vindt het voorlezen regelmatig plaats. Oppasgrootouders die aan hun kleinkinderen voorlezen, doen dit in 77% van de gevallen minimaal wekelijks (Leescoalitie & GfK, 2019).

Voorlezen gebeurt hoofdzakelijk door grootmoeders

Net als tussen ouders bestaan er ook tussen grootouders sekseverschillen in de leesopvoeding. Terwijl 58% van de grootmoeders hun kleinkinderen (t/m 18 jaar) weleens voorleest, doet 46% van de grootvaders dit. Ook vinden grootmoeders voorlezen vaker leuk om te doen dan grootvaders. Zij hopen ook vaker dat het kleinkind door het voorlezen interesse voor boeken krijgt, en denken vaker dat voorlezen de fantasie prikkelt (Leescoalitie & GfK, 2019).

Boeken worden eerder én anders gebruikt dan digitale media

Jonge kinderen maken, van alle media, als eerste kennis met boeken. 85% van de 0- tot 2-jarigen is reeds in aanraking geweest met (voorlees)boekjes. Op 3- tot 4-jarige leeftijd is dit percentage gestegen naar 96%, op 5- tot 6-jarige leeftijd naar 100%. Kinderen maken gemiddeld kennis met boeken als ze 1,1 jaar jong zijn. Voor de televisie is dat 1,3 jaar, voor de tablet 2,5 jaar, voor de smartphone 2,7 jaar, voor de laptop 3,2 jaar, voor de e-reader 3,9 jaar en voor de spelcomputer 3,5 jaar (Mediawijzer & The Choice, 2018).

In de meeste jonge gezinnen gebeurt het gebruik van boeken samen en van (digitale) schermmedia alleen. 13% van de 0- tot 6-jarigen leest of bekijkt een boekje meestal in zijn of haar eentje. Bij digitale verhaaltjes gaat het om 17%, terwijl 31% filmpjes meestal alleen bekijkt en tussen de 20% en 30% allerhande spelletjes meestal alleen speelt (Mediawijzer & The Choice, 2018).

Ouders zijn actief bezig om het gebruik van boeken bij hun kinderen te stimuleren. 68% zegt vaak een voorleesboek uit de kast te pakken, meer dan de groep die de interactieve smart televisie (34%), tablet (31%) en gewone televisie (31%) aanprijst (Mediawijzer, 2016).

Wie lezen er voor, en hoe lang en hoe wordt er voorgelezen?

Het zijn met name Nederlanders tussen de 35 en 49 jaar, vrouwen en middelbaar en hoger opgeleiden die weleens voorlezen (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49). Voorlezers hebben over het algemeen een sterke affiniteit met de leescultuur. Ze lezen en kopen regelmatiger zelf boeken, hebben een rijker gevulde boekenkast en zijn vaker in het bezit van een bibliotheeklidmaatschap dan niet-voorlezers. Bovendien worden ze zelf vaker voorgelezen. Bij één op de vijf gebeurt dit weleens, terwijl het gaat om één op de twintig niet-voorlezers. Als kind is 91% van de voorlezers voorgelezen, tegen 74% van de niet-voorlezers (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Een voorleessessie duurt gemiddeld tussen de 5 en 15 minuten. Driekwart van de voorlezers besteedt per keer zoveel tijd aan het voorlezen. Een kleine 10% zegt meestal minder dan 5 minuten voor te lezen, terwijl 15% er meer dan een kwartier voor uittrekt. 80% van de voorlezers leest hetzelfde boek weleens meer dan één keer voor (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Voorlezen is vrijwel nooit zómaar voorlezen. Vrijwel alle voorlezers zoeken ook op andere manieren de interactie met degene aan wie ze voorlezen. 95% maakt lichamelijk en/of oogcontact en 91% gebruikt speciale gebaren en/of stemmetjes om de tekst te verduidelijken. Daarnaast ruimt 92% tijdens en 84% na afloop van de voorleessessie tijd in voor vragen en uitleg. Deze heeft betrekking op het verloop van het verhaal, de betekenis van moeilijke woorden en/of het aansluiten van de tekst op de belevingswereld (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).